Video-kunst

Mijn tekst naar aanleiding van recent werk van Bill Viola is te lezen op www.rektoverso.be.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Geen recensie

Plots gaat het hele publiek rechtstaan. Eén voor één rijzen de toeschouwers de hoogte in alsof er iets in hun broek schiet. Ellende! Je ziet helemaal niets meer. De dansers komen tot aan de rand van het podium staan. Ze komen drie maal buigen, en dan nog eens drie maal. Ze zijn amper nog te zien achter de applausmassa. De man voor me heeft zijn krulhaar met volume-vergrotende schampoo gewassen. Hij is met een uit haar kledij knallende vrouw gekomen, met grote borsten en dunne wenkbrauwen. Nu verheft zij zich ook. Staande ovatie voor het stuk. Ik weet het zo gauw niet. Ik moet nadenken. Wat is er gebeurd? Wat herinner ik me?

Er speelde een donkerharige danseres mee, dat weet ik nog. Ze had donkere ogen en zag er heel schappelijk uit. Voor de rest was het een chaos. Ik herinner me niets substantieels. Moet ik gaan rechtstaan en als een gek applaudisseren?

Een stuk is als een boom. Als hij staat, valt hij niet om. Theater is slechts een moment. Nu eens is het er, dan weer niet. Wie er niet bij was, wil weten: bleef het moment staan of viel het te pletter?

Het zit zo: een tijd geleden zag ik de voorstelling D’avant. Eerst staat er een man op podium die een lange stok door de mouwen van zijn kostuum heeft gestoken, waardoor zijn armen loodrecht uit zijn lichaam steken. Hij leunt met andere woorden op zichzelf, heeft zich aan zijn eigen Jezus-kruis gespalkt. Hij zingt ondertussen middeleeuwse melodietjes en beweegt zijn handen in het rond. De rest blijft stokstijf. Heel grappig. Dan komen er drie andere mannen bij. Ze zingen tegen hem op. Ze lopen op een stelling, doen gekke dingen. Ze hebben het op de man met zijn stok gemunt. Nemen hem zijn stok af. Het wordt hilarisch. Met z’n vieren zingen ze de gekste dingen. Wat ze met de kostuums uitsteken is niet na te vertellen. Je lacht je ziek. Vaak is het ook ernstig. Echt wat je noemt… nou ja. Dus kocht ik onmiddellijk daarna een ticket voor een andere voorstelling van dit genius, Sidi-Larbi Cherkaoui.

Gisteren was het dan zover. Het stuk dat ik ga zien, heet Myth. Om te beginnen zit ik niet goed: voor mijn neus bevinden zich twee enorme kroppen weelderige haarsalades die kaarsrecht op hun stoelen zitten. Ik kan goed waarnemen wat er zich op de zijkant van het podium afspeelt, en soms merk ik ook heel goed dat er zich in het midden een bepaalde gebeurtenis voltrekt. Ik zie af en toe delen van lichamen, en voortdurend hoor ik dat er wat gaande moet zijn. Ook heb ik een uitstekend zicht op de plafonds. Daar komt licht uit. Dat zullen de spots zijn. Voor de rest verveel ik me niet. Er gebeurt vanalles. Er wordt muziek gespeeld en er wordt gezongen. Heel wat grappige momenten doen zich voor. Allerlei elementen uit verschillende culturen komen aan bod. Tegen het einde komen de dansers met enorme stokken aanzetten. Het krijgt een Aziatisch tintje. Concentratie alom. Hier is meesterschap vereist. Ik moet aan vendelzwaaien denken. Het is een belachelijk zicht. Dit is geen recensie, het is niet eens een beschrijving – maar een oordeel vel ik niettemin. D´avant was doordrongen van een verfrissende speelsheid en spontaniteit. De schoonheid van zang en dans was betekenisvol, de voorstelling was in haar gelaagdheid treffend en allesbehalve vergezocht. In Myth daarentegen zijn de choreografische vondsten opgedirkt met platte symboliek. Als een pudding bezwijkt het stuk onder een lading kitsch, die er met loodzware ernst overheen gestrooid is. Waarom gaat het publiek over tot een unanieme ovatie? Het is me een raadsel.

Geplaatst in Podiumkunsten, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

Louis-Ferdinand Céline

Ik zeg hem alles wat ik maar aan lelijks kan vinden!… laat hem maar op komen!… vijandigheid om vijandigheid, laat hem maar een rooie kop krijgen! Dan sla ik daar op!… laten we maar boksen als er niet geïnterviewd wordt!… dan ga ik het allemaal aan Gaston vertellen! die zal me een lol hebben!… geeft-ie me tien ruggen meer voorschot!… schuld om schuld!…

Hij reageert! ik had er een wedje op durven te maken!…

“En u dan, wat bent u dan wel?”

De eerste vraag die hij me stelt!

Aha! ik krijg mijn interview!

“Ik ben maar een uitvindertje, meneer!… een uitvindertje, en daar ga ik prat op!”

“Geweldig!”

Wat hij me ook antwoordt… ik hou vast…

“Een uitvindertje, ja zeker!… en van een kleinigheidje maar!… niet meer dan een kleinigheidje!… ik zend geen boodschappen aan de wereld!… ik! nee, meneer! ik overvoer de ether niet met mijn gedachten! ik! nee, meneer! ik bezat me niet aan woorden, niet aan port, niet aan de vleierijen van de jeugd!… ik denk niet voor de hele planeet!… ik ben maar een uitvindertje en dan nog van een klein kleinigheidje! van voorbijgaande aard, ja, ja! net als de rest! net als het boordeknoopje met het wippertje! ik ken mijn uiterst geringe belangrijkheid! maar alles liever dan ideeeeën!… ideeeeën laat ik over aan de straatventers! alle ideeeeën! aan de pooiers, de verwarringzaaiers!…”

Ik amuseer hem… hij grinnikt, eerlijk! maar ik zal hem niet lang laten grinniken!

“En u, zeg eens op, wat doet u?… u, professor Y?… bent u geen kouwe-druktemaker?… zet u de jeugd niet op een dwaalspoor?… stuurt u ze geen ‘boodschappen’?… dat zou me verbazen!…”

“Hebt u iets uitgevonden?… en wat dan wel?”

Vraagt hij.

“De emotie in de schrijftaal!… de schrijftaal was uitgedroogd, ik heb de emotie weer in de schrijftaal gebracht!… net zoals ik het u zeg!… da’s geen geringe klus, dat zweer ik u!… de foef, de toverkunst waardoor elke willekeurige klootzak u nu ‘in geschrifte’ kan ontroeren!… de emotie van het ‘gesprokene’ in het geschrevene terug kunnen vinden! dát is niet niks!… het is nietig, maar het is wél wat!…”

Uit: Gesprekken met professor Y, p. 15, Louis-Ferdinand Céline, Goossens/Mets 1987 (‘Entretiens avec le professeur Y’, 1955)

Geplaatst in Poëzie, Uncategorized | Tags: | Een reactie plaatsen

Butterfly

Tijdens de opera zaterdag had ik een droom. Alsof ik tijdens het stuk in een ander stuk zat, iets van Castellucci. Twee paarden kwamen dampend op me af, in volle galop. Ik prevelde een gebed en bereidde me voor op de botsing. De afstand tussen de paarden en mijzelf verkleinde zich echter niet. Het bleef maar duren. De spanning was niet te dragen. Tot een ingreep van bovenaf een eind aan de dreiging maakte: het begon te regenen en het water begon de paarden uit te wissen. Ze werden waziger en waziger tot ze helemaal opgelost waren. De damp trok op, de regenvlaag nam af, en langzaam kwam het decor van de opera waarin ik me bevond er weer onderdoor. Het was Madama Butterfly. Cio-Cio-San doemde daar weer voor mijn ontwakende ogen op, midden in haar beroemde aria Un bel di. Toen merkte ik dat ik aan het huilen was. Een vreemde gewaarwording.

Geplaatst in Podiumkunsten, Uncategorized | Tags: , | Een reactie plaatsen

Sjostakovitsj in Berlijn

Ik heb mijn eigen blog herontdekt. Ik schrok een beetje. Alle teksten tot 2006 die te persoonlijk getint waren, heb ik gewist. Er blijft niet zo erg veel over. Waarom ben ik hier ooit mee begonnen? Om sporadisch en zonder regelmaat, geheel naar eigen wens en zonder dat er iemand op zit te wachten, zachtjes voor me uit te prevelen en mijn gedachten op een rijtje te zetten. Misschien kan ik daar opnieuw mee beginnen.

Ik heb de voorbije weken quasi overnacht op het Musikfest Berlin. De concerten die ik daar op twee weken tijd bij elkaar heb gezien, waren van een niveau dat je zelden meemaakt. Van Haydn zag ik Die Jahreszeiten, een oratorium dat helaas te lang duurt en de hele tijd door recitatieven wordt onderbroken die geweldig op de zenuwen werken, hoewel ze gewoon de verbindingen zijn tussen ontegensprekelijk zeer mooie passages. Het orkest kon echter niet beter zijn: de Berliner Philharmoniker, met solisten als Thomas Quasthoff en John Mark Ainsley. Daarna heb ik een heleboel symfonieën van Sjostakovitsj gehoord. Ik vond die dingen altijd stompzinnig bombastisch (zijn strijkkwartetten daarentegen verfijnd en prachtig), maar toen ik vorige week de achtste symfonie live hoorde, was ik helemaal mee en ben ik de dag erna naar de elfde gaan luisteren, en drie dagen later naar de twaalfde (die me minder goed beviel maar wel fenomenaal gespeeld was). De achtste werd uitgevoerd het Philharmonia Orchestra London, onder leiding van Vladimir Ashkenazy. Dat is een klein mannetje dat heel vreemde bewegingen maakt met zijn handen – niet erg leuk om naar te kijken. De elfde symfonie werd gespeeld door Valery Gergiev en het London Symphony Orchestra, en de twaalfde door Gustavo Dudamel en de Berliner Philharmoniker. Die laatste is slechts achtentwintig. De geparfumeerde dametjes op leeftijd die normaal op grijze koppen moeten neerkijken, waren heel tevreden dat ze hun binoculair nu eens op de zwarte haardos van een jongeling konden richten.

Daartussenin heb ik nog de Deutsche Sinfonie van Hanns Eisler meegemaakt -met het Deutsches Symphonisches Orchester onder leiding van Ingo Metzmacher en met onder andere Matthias Goerne. Die ´symfonie´ is meer een verzameling liederen. Ze gaat daarover hoe het nazisme via de klassenstrijd bestreden had kunnen worden – met forse ‘Arbeiter-‘ en ‘Bauernkantates’ op teksten van Brecht. De liederen zijn geweldig, ze worden voortgestuwd door cymbalen en veel koper. De kwaliteit van die concerten was zo onbeschrijflijk, dat enkel een professionele musicoloog daar iets zinnigs over had kunnen opmerken. Niets dan bewondering en stilte van mijn kant.

Gisteren daarentegen was het andere koek. In de kleine zaal van het Berlijnse Konzerthaus werd Sjostakovitsj´s adaptatie van het sprookje van Poesjkin, De Pope en Balda, opgevoerd. Er zou poppentheater aan te pas komen, zo was aangekondigd. Nadat ik in de zaal had plaatsgenomen, kreeg ik een slecht voorgevoel. Toen het ensemble begon te spelen en het eerste beeld verscheen, een soort schaduwprojectie van handpoppen op een wit doek, vervloog alle hoop die me nog restte onmiddellijk.

Natuurlijk had ik in de dagen daarvoor de allerbeste orkesten ter wereld gehoord en misschien zou deze opvoering niet zo’n slechte indruk hebben gemaakt als ik vooraf twee maanden in een gevangenis had doorgebracht oftewel strikt aan amateurorkesten was blootgesteld. Enerzijds was ik blij dat ik het niveauverschil tenminste opmerkte en ik me met terugwerkende kracht nogmaals kon verheugen over de voorbije concerten. Anderzijds zat ik me vreselijk te ergeren. En de ergste klap moest nog komen: Toen de zangers hun mond opendeden (het stuk is een soort mini-opera), bleek dat er niet eens in het Russisch werd gezongen. Ze hadden zich gebaseerd op een Duitse versie, die in de jaren negentig was gemaakt. Om een of andere domme reden heeft iemand toen dat prachtige Russisch in ongeïnspireerd Duits overgezet. Duits! De minst melodieuze, de minst speelse, de minst muzikale taal die je je kan indenken! Zeker, de cantates van Bach zijn in het Duits, de liederen van Schubert en die van Eisler zijn in het Duits, maar die bedoelden het allemaal doodserieus. Pope en Balda daarentegen is een stuk om te lachen – en ik ben er nog nooit in geslaagd om met vrolijkheden in het Duits te lachen. Het Duits leent zich tot diepzinnigheden en melancholie, en -als er toch gelachen mag worden- tot platte, vulgaire kolder. Tot zover de clichés. Heel misschien had ik nog van de muziek kunnen genieten als het niveau van de animatie niet zo ondermaats was geweest. Neemt u de onnozelste opvoering met stokken-popjes of het schamelste schimmentoneel-achter-wit-doek dat u ooit in uw lokale parochiezaal hebt gezien en stelt u zich dat nog tien keer slechter voor. Dan heeft u ongeveer een idee van het niveau waarmee de onsterfelijken Poesjkin en Sjostakovitsj hier vereerd werden.

In het programmaboekje las ik nadien dat deze erbarmelijke ‘scenografie’ door drie ‘gekwalificeerde’ mensen was bedacht en uitgevoerd, mensen die daar klaarblijkelijk voor gestudeerd hadden. Ongelooflijk, zo´n ongeïnspireerde, onesthetische, flauwe, amateuristische, waardeloze uitvoering! Niettemin ben ik blijven zitten tot het einde – om te zien hoe de reactie van het publiek zou zijn. En wat denkt u? Bijval. Ze kregen bijval!

Geplaatst in Muziek, Uncategorized | Een reactie plaatsen

Het huis in de Trubnaja straat

In de Vooruit was er gisteren een film te zien van Boris Barnet. Het huis in de Trubnaja straat. Dit in het kader van het ‘Progress festival’ en Europalia Rusland. Alexei Aïgui en zijn ensemble 4’33 (genoemd naar de bekende compositie van John Cage) speelden er live muziek bij. Aïgui maakte al veel meer filmmuziek, bijvoorbeeld de schitterende score voor de film Het geluk (Alexander Medvedkin, 1934).

Beide films zijn visueel erg grappig en vervelen op geen enkele manier. Barnets film sluit aan bij de avant-gardistische montage-theorie, Medvedkins film niet. Dat belet echter niet dat de muzikale begeleiding van Aïgui bij beide films eenzelfde sfeer heeft. Prachtige gedreven muziek, die het tempo steeds in de goede richting opdrijft. Heel jammer was wel dat het een video-projectie was, dat een stuk van het kader was afgesneden, en dat de tussentitels ongeïnspireerd en lelijk waren om naar te kijken.

Nu iets over de film zelf. Het huis in de Trubnajastraat is gemaakt in 1928. Hij handelt over een chaotische trappenhal, over een kapper zonder poetsvrouw, over de overwinning van het syndicaat en over een jonge vrouw die naar haar oom in de stad wordt gestuurd. Die oom arriveert in haar dorp op tragische wijze net op het moment dat zij het dorp verlaat. Ongemakkelijk en heel alleen doolt ze rond in de stad. Ze belandt net niet onder een tram. Daarna vindt ze werk bij de bovengenoemde kapper. Omdat ze niet bij het syndicaat is aangesloten, buit hij haar helemaal uit. Dan, in een moment van verbijstering, slaat het meisje (dat Paracha heet) haar werkgever verrot. Daarna wordt ze twee maal buitengegooid: een eerste keer en een tweede keer. Het syndicaat, waar zij zich ondertussen toch bij aansloot, zorgt er evenwel voor dat de kapper heel wat geld afdokken moet.

De film is uiteraard sovjet-propaganda, in de vorm van een populaire komedie, maar hij is tegelijk zeer avant-gardistisch in de vorm. Die vreemde combinatie bestond blijkbaar probleemloos tijdens het eerste decennium van het communistische tijdperk. De visuele vondsten zijn verrassend en artistiek vernieuwend, en toch is het propaganda.

Wat moet u zich hierbij voorstellen? Het is als kijken naar een film van Eisenstein of Vertov, maar dan zonder peinzend met een hand in uw baard te moeten wrijven, zonder de neiging tot geeuwen te moeten onderdrukken, ja zelfs zonder aan iets anders te hoeven denken dat zich buiten de film bevindt. Daarentegen hoort u zichzelf hardop lachen en u hebt er geen erg in.

Geplaatst in Film, Uncategorized | Tags: , | Een reactie plaatsen

De subversie van dromen

Gisteren werd in het Antwerpse filmmuseum Aelita vertoond, een Russische stille film uit 1924, van Protazanov. Het Scora Quartet leverde er een partituur bij. Een hele belevenis toch. Het begin, bijvoorbeeld, was grandioos.

Elke sequentie werd netjes van een bepaalde sfeer voorzien. Er werd niet zozeer op de beweging gemusiceerd, maar wel op de sfeer van de beelden. De hoofdpersoon is een dromerige ingenieur. Hij droomt dat de koningin van Mars op hem verliefd wordt. Daar hoort dan blijkbaar een zwoel soort jazz bij. Als de burger-detective zijn onderzoek inzet, komt er weer wat vaart in het ritme. En zo verder. Nu zal ik vertellen waarover de film gaat.

De film lijkt in zich eigenlijk een tiental verschillende films te bevatten. Dat doet hedendaags aan. Het prominente aandeel van futuristische science-fiction, met grappige kostuumpjes, laat zich het makkelijkst onthouden. Maar de film is net zo goed een politieke satire, een vormelijk experiment, een sociaal-realistisch drama, een zeden-klucht, een thriller, etc.

De laatste scène in de ruimte kan je bijna niet anders dan als een satirische komedie bekijken. Het prototype van de dappere rode soldaat en het prototype van de machtsgeile burger-verklikker die constant detective speelt, worden in het dromerige hoofd van de hoofdpersoon, ene ingenieur Los, quasi per ongeluk naar de planeet mars geschoten. Daar voeren ze strijd met het heersende regime. Ze laten zich niet kennen. Binnen onafzienbare tijd kruipt de ongelukkige arbeidersklasse van de planeet uit hun koelkast en verbreken ze hun kettingen, aangespoord door de kracht van het revolutionaire woord. De oude garde wordt vermorzeld, nieuwe leiders worden gekozen. De sovjet-revolutie op Mars is een feit. Hilarisch hoor.

Aan het eind, wanneer ingenieur Los ontdekt dat hij zijn vrouw uiteindelijk toch niet vermoord heeft (hij had haar uit jaloezie overhoop geschoten), gooit hij zijn plannen voor een raket in de open haard, daarbij de gedachte uitsprekend dat er op aarde dringender verwezenlijkingen, van meer realistisch niveau, op hem wachten. De vervolmaking van de sovjet-realiteit is niet gebaat met dromerijen. De ingenieur heeft zijn leven gebeterd.

Als kijker heb je het gevoel dat dit einde er is bijgesleurd voor de goede orde. De film is voor de rest namelijk niet overdreven moraliserend. Zo is er bijvoorbeeld een ander belangrijk personage: een kapitalist die van iedereen profiteert en de vrouwen alsmaar charmeert. Hij krijgt uiteindelijk zijn verdiende loon, maar kreeg heel de film door toch lekker zijn zin.

Nog even over de subversie van het dromen. Langs een andere kant bekeken waren de sovjets natuurlijk collectief aan het exploderen van de onrealistische verwachtingen en fantasieën. In hun opgefokte arbeidspathos werd de machine verheerlijkt als nooit tevoren. De technologie zou de natuur overwinnen. Waterlopen werden verlegd. Enzovoort. Nu moet ik denken aan twee recente Russische films waarin het verlangen van de communisten om iets met de ruimte te doen ook aan bod komt. In Dreaming Of Space wordt de wens om de ruimte te verkennen op een heel mooie manier tot metafoor voor de drang van het hoofdpersonage om uit de USSR weg te vluchten. First People On The Moon gaat dan weer de komische toer op, en verzint een documentaire over een geheimgehouden eerste ruimtevaart.

Dit alles, en nog veel meer (denken wij zomaar in het wilde weg aan Cronenbergs Naked Lunch, waar een schrijver zijn vrouw vermoordt en helemaal subversief begint te flippen), was dus reeds te zien in 1924, in de wonderbaarlijke film Aelita.

Geplaatst in Film, Uncategorized | Tags: , , | Een reactie plaatsen